Alhoewel het onmogelijk is het juiste tijdstip te bepalen waarop zich mensen gevestigd hebben in Mol, staat vast dat reeds in de prehistorie mensen verbleven op de hoger gelegen delen van Mol, zowel in het centrum als op de gehuchten.  De volksstammen die toen leefden waren nomaden die geen vaste verblijfplaats kenden.  Via akkerbouw werd die blijvende vestiging van volksstammen in de hand gewerkt.

De naam MOL (oudere vorm Molle of Molla) komt wellicht uit het Germaans muldo + lauha.  Muldo betekent mulle, losse, droge, fijne zand of aarde.  Lauha betekent bosje op hoge zandgrond.  Verwijzingen naar Molen of het dier mol zijn zonder enige grond.

Het dorpsplein van Mol heeft de vorm van een langwerpige driehoek, een typisch Frankisch kenmerk.  Binnen die driehoek konden de Frankische boeren hun vee onderbrengen en er was ook steeds een drinkplaats. 

Oorspronkelijk had men in Mol zes wijken of gehuchten : PLAATS (= Markt, Ginderbroek), EZAART, STOKT, GENEGOOR (met Achterbos), SLUIS, GINDERBUITEN.  Mol was al vóór 774 de hoofdplaats van die wijken alsook van de hele zo genoemde voogdij Mol, Balen en Dessel.  Ook de voogd woonde in het centrum te Mol, vlakbij de door Corbie opgerichte kerk.

In de middeleeuwen waren de feodale dorpsheren bezitters van de dorpsgronden.  In 1331 schonk hertog Jan III van Brabant het exclusief gebruik van alle gemene vroenten of heiden aan de inwoners van de voogdij Mol, die de gemeenten Mol, Balen en Dessel omvatten.  De heigronden hadden een ekonomische betekenis : ze leverden voeder voor het vee en de schapen, op de heide gehouden, leverden de grondstof voor het bekende Molse laken.  De wolverwerkende nijverheid maakte van Mol een plattelandscentrum met een wekelijkse markt en jaarmarkten erkend door hertog Wenceslas van Bohemen en hertogin Joanna van Brabant in 1365.  In 1657 kochten de dorpen van de voogdij Mol de gemene heigronden af van de opvolger van de hertogen van Brabant, koning Filips IV van Spanje.

  Corbie schenkt in 1382 de Maat aan Mol  

Gompel behoort niet tot de zes oude wijken van Mol maar is toch altijd duidelijk Mols grondgebied geweest.  Het Hof van Gompel was in de achtste eeuw persoonlijk bezit van de Pepijnen en werd in 774 door Adelhard aan de abdij van Corbie geschonken.  Bij het Hof van Gompel hoorde als heidegebied de Maat.  In 1382 staan abt Jan en de monniken van Corbie de Maat in pacht af aan de dorpelingen van Mol en Dessel.  Doordat de Mollenaars bij de exploitatie van de Maat de grootste rol gingen spelen, kregen zij een beter geografisch uitgangspunt om in de zestiende eeuw Wezel en met de Franse Revolutie Postel bij de gemeente Mol aan te hechten.

  Wezel bij Mol in 1500  

De Wezelse Hoeve bestond reeds in de middeleeuwen en was eigendom van Postel.  Omstreeks 1500 hebben die van Mol de overste van Postel ertoe kunnen overhalen de hoeve met al haar goederen onder Mol te stellen.  De Wezelse Hoeve werd mettertijd door Postel opgesplitst en reeds vóór 1725 werd de 'nieuwe hoeve' aangelegd.  In de achttiende eeuw is er ook sprake van de hoeve 'het Rauw'.  Vandaaruit is in de 19de eeuw geleidelijk in noordelijke richting de huidige parochie Mol-Rauw ontstaan door ontginning, aanleg van wateringen en vestiging van de zinkfabriek Vieille Montagne.

  Postel bij Mol met de franse revolutie   

Toen de Fransen in 1794 definitief het land bezetten, voerden zij dadelijk grondige hervormingen door en verdween de voogdij Mol en werd België ingedeeld in gemeenten en kantons.  Mol, Balen en Dessel werden zelfstandige gemeenten en Mol werd aangesteld als kantonhoofdplaats.  Met de aktie van de Fransen tegen de kloosters in 1796 en de daarop volgende sluiting van de abdij van Postel, tot de Franse Revolutie een zelfstandig gebied, verdwijnt Postel als zelfstandige gemeente en word bij Mol ingelijfd.  Hierdoor kreeg de gemeente Mol haar typische laarsvorm met het centrum van Mol schijnbaar erg excentrisch gelegen.

  Millegem bij Mol in 1818  

Van in de middeleeuwen was Millegem een eiland in Mol.  Het maakte deel uit van de heerlijkheid Geel en was omgeven door de Molse gehuchten Ezaart en Stokt.  Bij wet van 5 februari 1818 werd Millegem van de gemeente Geel losgemaakt en bij de gemeente Mol gevoegd.  Een veertigtal inwoners werden daardoor Mollenaars.  Later ging de naam Millegem over op de in 1854 gestichte nieuwe parochie Millegem, die Millegem en Stokt omvatte.

  Ruiling in 1843 : Bladelse Heide en Bergeykse Heide - Zeven Heerlijkheden  

Nadat in 1839 eindelijk het vredesverdrag tussen Nederland en het afgescheurde België was tot stand gekomen, bleven er nog enkele grenskwesties te regelen.  In 1843 werden de grenzen bepaald tussen de gemeente Mol en de Nederlandse gemeenten Reusel, Bergeyk en Luiksgestel.  De gemeente Mol stond 127 ha af aan Bergeyk (Bladelse Heide) en Mol kreeg 122 ha van Bergeyk en Luiksgestel.  Beide gemeenten stonden een vooruitspringende spie af, die uitliepen op de kei van de 7 heerlijkheden.  Op deze plaats kwamen vroeger 7 heerlijkheden of dorpen samen in de hei : Mol, Balen, Dessel, Lommel, Luiksgestel, Bergeyk en Postel.